Over Functie en Waarde in de Kunsten - 2

Hoewel dergelijke attitudes beslist doorbroken en gecorrigeerd moeten worden, mogen ze nooit het zicht vertroebelen op de vele gevallen van artistieke integriteit die er ook bestaan; noch mogen ze leiden tot een gebrek aan respect voor puur artistieke idealen. Het feit dat deze twee invalshoeken nu bij de commissie muziek lijken te ontbreken, waardoor een teloorgang van het bestaande systeem zelfs tot de mógelijkheden lijkt te kunnen gaan behoren, is in zekere zin ook het gevólg van een subsidiebestel voor de kunsten: een systeem dat in principe aan alle basisvoorwaarden voor het maken van kunst voldoet, brengt immers ook het gevaar van comfort en gemakzucht met zich mee – met als resultaat een nog veel groter gevaar: het verlies van inzicht in de werkelijke noodzaak van kunst en cultuur. Een reëel gevaar voor zowel kunstenaars als beleidsmakers.

Zonder een duidelijke visie hierop is het uiteraard erg lastig een cultuurbeleid te bepalen.

Dit brengt ons bij de hamvraag: hoe beoordeel je kunst?
Wat is hierbij van waarde en wat van ondergeschikt belang? Hoe differentieer je vervolgens tussen de vele verschillende functies die er zijn, zowel binnen één specifieke discipline als tussen verschillende disciplines onderling? Hoe vergelijk je de waarde dáártussen en tot hoever kun je gaan met het over een kam scheren van ongerelateerde disciplines?
En ten slotte: in hoeverre is inhoudelijke expertise en engagement essentieel bij de beoordeling?

Nederland kent al eeuwenlang een nogal rechtlijnige, maar tevens dubieuze, houding ten opzichte van kunst en cultuur, die gekenmerkt wordt door de attitude: kunst is handelswaar. Echter: kunst en cultuur zijn, net als onderwijs, (geestelijke) gezondheidszorg en openbaar vervoer iets waar een beschaafde en niet al te arme samenleving voor zou moeten kiezen. Kunst en cultuur vertegenwoordigen zowel een verleden, als het uitvloeisel naar de toekomst van datzelfde verleden, en zijn geen economisch maar een historisch, sociologisch en esthetisch en misschien wel ethisch gegeven. Dat het huidige subsidiebestel na de tweede wereldoorlog ondanks een dergelijke voedingsbodem überhaupt van de grond is gekomen, is op zich al een klein mirakel te noemen.
Gezien de hardnekkigheid van deze attitude is het wellicht nuttig om hier nog eens te vermelden dat kunstenaars niet om niets kunstenaar zijn geworden in plaats van overheidsambtenaar, jurist, arts of sociaal werker. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze een andere functie, werkelijkheid of oplossing najagen; immateriële doelen vaak, die in essentie helemaal niets met marktdenken of handelswaar te maken hebben. Om deze ambities te verwezenlijken zijn ze echter vaak aangewezen op steun: zowel op ‘realistische’ (i.e. marktgebonden) vormen van steun, als op ‘onrealistische’ (i.e. subsidiegebonden) vormen van steun. In feite een situatie die al zo oud is als het beroep van zelfstandig kunstenaar zelf: er heeft namelijk nooit een markt bestaan voor kunst die niet tot de mainstream behoort.
De reden dat kunstenaars een vorm van steun zouden móéten krijgen, berust op de perceptie dat kunst waarde heeft maar toch niet in alle situaties materieel verkoopbaar is. Het enige probleem hierna is dat deze waarde in het ene geval makkelijker vast te stellen is dan in het andere.

Het ondersteunen van kunst berust dan ook enerzijds op een geloof in kunst, gepaard aan het vermogen om te kunnen onderscheiden tussen de vele verschillende vormen en functies ervan, en anderzijds op een principieel vertrouwen in de makers ervan.

Beide hier genoemde voorwaarden lijken in Nederland recentelijk echter aan erosie onderhevig: er is gaandeweg een situatie ontstaan waarin zowel de identiteit als de functie van de kunstenaar aan geloof en vertrouwen lijken te hebben ingeboet. En hetzelfde geldt voor de perceptie van de kunstenaar van de kant van ‘de bevolking’ en de politiek: als de kunstenaar al respect krijgt dan komt dat bijna altijd door onbetwistbare materiële omstandigheden (eerst verkopen, liefst in het buitenland, dan respect). Dat de kunstenaar in staat zou kunnen zijn een wezenlijke perceptie of idee te vertegenwoordigen, of dat kunst werkelijk het gezicht van een land zou kunnen zijn en een van de barometers van het geestelijke klimaat, lijkt bijna een ridicule suggestie.
Hier komt nog bij dat er (in het kader van de in de loop der tijd ingeslopen ‘officiële’ nivellering van kunst en cultuur) ook geen onderscheid meer mag bestaan tussen ‘hoog’ een ‘laag’, tussen kunst gericht op verheffing en kunst gericht op entertainment. Of dezelfde criteria nu binnen de popmuziek vallen of binnen de hedendaagse gecomponeerde muziek: het onderscheiden tussen verschillende functies en de daaraan gerelateerde waarden is in feite een taboe geworden. Terwijl dat onderscheid tóch blijft bestaan, hoe politiek incorrect dat ook moge zijn.
Het ontkennen van deze distinctie is pure zinsbegoocheling. Maar het uitbannen ervan leidt uiteindelijk, onvermijdelijk, tot culturele vervlakking en het daadwerkelijke onvermogen om nog te kunnen onderscheiden tussen functie en waarde. Een constatering die pijnlijk duidelijk is geworden als we de argumentaties van de commissie muziek erop nalezen.

Om de verschillende waarden goed te kunnen beoordelen, kan men dus niet voorbijgaan aan alle verschillende functies van kunst – en, vooral, aan hoe al deze verschillende functies onderling gerelateerd zijn. Wat de nieuwe muziek betreft: niet alle nieuwe muziek is bijvoorbeeld ‘moderne’ muziek en niet alle ‘moderne’ muziek is ‘klassiek moderne’ muziek, zoals ook niet alle wiskunde alleen maar ‘toegepaste wiskunde’ is.
Nieuwe muziek wordt, net als alle kunsten en de wetenschap, gekenmerkt door verschillende vormen, met verschillende doelen, resultaten en publieken, zowel in aard als in aantallen. Sommige hiervan verkopen goed (voor zover dat al mogelijk is bij een kunstvorm zonder enig tastbaar eindproduct – muziek is immers in trilling gebrachte lucht en geen voorwerp; er is alleen een partituur of een idee voordat de lucht gaat trillen), andere minder.

Dit zegt over het algemeen echter bar weinig over de inhoudelijke waarde ervan. Zoals de wetenschap het onderscheid kent tussen onderzoek en toegepaste wetenschap, de modewereld het verschil kent tussen haute couture en prêt-a-porter, kent ook de nieuwe muziek verschillende gebieden, van speculatief, specialistisch en researchgebonden tot generalistisch en mainstream. De wetenschapper spendeert soms jaren aan het onderzoeken van een utopisch en volkomen abstract terrein, de modeontwerper aan ‘ondraagbaar’ geachte kleding en de kunstenaar aan soms volstrekt ‘onbegrijpelijke’ kunst, en al dit ‘onverkoopbare’ gepruts in de marge vindt vaak jaren later direct zijn weerslag in de praktijk: de wetenschappers die priemgetallen hebben onderzocht in de hoop ooit de Riemann-zeta-functie op te kunnen lossen, hebben bijgedragen aan de beveiliging van ons internetverkeer, de ‘ondraagbare’ ontwerpen van de modekoningen zijn na enige seizoenen terug te vinden in een prêt-a-porter-collectie en de kunstenaars van ‘onbegrijpelijke’ kunst vinden hun vondsten maar al te vaak terug op de mainstreampodia, waar ze in afgezwakte en publieksvriendelijke vorm ‘verkoopbaar’ zijn gemaakt.
Dit hele spectrum van verschillende functies vormt tezamen één groot bouwwerk: haal je er één steen uit, of respecteer je de aanwezigheid van die steen in eerste instantie al niet, dan verzwak je het hele bouwwerk. In deze hele keten hebben alle stenen hun eigen specifieke waarde, met hun eigen specifieke ideaal. De verschillende elementen van deze keten vallen dan ook beslist niet over een kam te scheren, noch zijn ze op een uniforme manier wezenlijk met elkaar te vergelijken.
Het niet (langer) kunnen onderscheiden tussen deze functies, hun respectievelijke waarde en onderlinge afhankelijkheid binnen voornoemd ecosysteem, is simpelweg funest voor een cultuur.