Over Functie en Waarde in de Kunsten - 1

Geachte heer Plasterk,

Op 21 Augustus j.l. zijn de definitieve conclusies van het NFPK+ naar buiten gekomen en om ons tot de muziek te beperken, de uitslagen van dit nieuwe fonds liegen er bepaald niet om: meer dan de helft van de tot op heden gesubsidieerde ensembles en orkesten dient te verdwijnen. Een ongekend, irreëel hoog percentage, met immense gevolgen voor ons muziekbestel.
Op het specifieke terrein van de nieuwe muziek zou implementatie van deze uitslagen zelfs leiden tot een nagenoeg wegvagen van een complete sector, met grote gevolgen voor diversiteit en autonomie van de nieuwe muziek, maar uiteindelijk ook voor het nu bestaande muzikale ecosysteem in zijn geheel.
Als er adviezen van een dergelijk draconische omvang worden uitgebracht, waarmee de ons inziens beste, dan wel meest interessante voorbeelden van onze muziekpraktijk om zeep worden geholpen, kunnen we niet anders dan in het geweer komen om de zaken die wij van waarde achten te verdedigen. In de kunsten drááit het immers om zaken van waarde, en waardecriteria, zowel meetbare als onmeetbare, zijn uiteindelijk de voornaamste handvatten die we hebben om kunst en cultuur te kunnen evalueren.
Hiermee kan het volgende onmiddellijk duidelijk gesteld worden: door de primaire gebruikers van deze branche - de uitvoerders en de componisten – jong en oud – worden zeker de meest navrante onder deze adviezen, noch de gehanteerde criteria, onderschreven of in enige mate representatief geacht voor hun eigen waardebeleving.

Nederland kent al sinds de jaren tachtig een unieke situatie voor de nieuwe muziek, een situatie die zelfs verlicht te noemen is: componisten en uitvoerders van nieuwe muziek worden niet alleen in staat gesteld hun vak autonoom te beoefenen, maar worden daar ook financieel bij ondersteund.
Sinds jaar en dag wordt dit landschap gecontroleerd en bewaakt door, doorgaans, representatieve commissies bestaande uit mensen met verstand van zaken. Dit heeft in de loop der tijd geleid tot een heel eigen muziekwereld waarin de ensembles – als meest representatieve exponent van deze cultuurvorm – een rol van grote betekenis zijn gaan vervullen: van generalistisch tot specialistisch, voor alle richtingen en invalshoeken zijn er speciale ensembles en podia ontstaan. Dit heeft geresulteerd in een muziekleven dat in zijn diversiteit in principe volledig recht doet aan het rijke en zeer uiteenlopende panorama dat ‘nieuwe muziek’ heet.
Tussen al deze ensembles en de vele zowel binnen- als buitenlandse componisten in Nederland bestaat inmiddels een uiterst levendige en vruchtbare wisselwerking: de componisten affiliëren zich in meerdere en mindere mate met specifieke ensembles en schrijven daar met regelmaat nieuwe werken voor. Deze verhoudingen zijn gebaseerd op realistische, artistiek-inhoudelijke gronden. Wat de componisten betreft: voor hen bestaat er daarnaast een – tot op heden – goed functionerend fonds, dat niet alleen de kwaliteit van het componeren probeert te waarborgen, maar ook het functioneren van het eerder genoemde muzikale ecosysteem. Hieruit volgt dat componisten en ensembles geen separate eilandjes zijn, maar in hoge mate aan elkaar zijn gerelateerd en afhankelijk van elkaar zijn.
In de praktijk heeft dit systeem vele jaren tot tevredenheid van de meeste betrokkenen gefunctioneerd.
Sinds ongeveer een jaar of tien is de politiek de maatschappelijke- en/of rendementswaarde van deze kunstvorm steeds meer gaan benadrukken. Of het nu was op grond van ‘cultureel ondernemerschap’ of op grond van allerhande politieke wensen of cultuurmodes: steeds vaker zijn de beoefenaars in het geweer moeten komen om de autonome uitoefening van hun beroep te verdedigen. En jaar in jaar uit draaide die verdediging in essentie om hetzelfde: inhoud versus markt.
In de loop der jaren zijn de marktcriteria steeds stringenter en manifester geworden. Op nationaal niveau leidde de verzakelijking van kunst en cultuur steeds vaker tot situaties waarin de kunstenaars kunstinhoudelijke zaken uit handen werden genomen, die vervolgens in handen kwamen van organisatoren en managers – met alle prioriteitsconflicten van dien. De huidige muziekadviezen kunnen zonder enige twijfel gezien worden als de voorlopige culminatie van deze tendens: adviezen van een muziekcommissie die voor het overgrote deel geen enkele wezenlijke binding heeft met de nieuwe muziek (en dientengevolge in essentie de benodigde expertise ontbeert) en waarin bovendien van inhoud nog nauwelijks sprake is: het draait bijna geheel en al om marktcriteria.

Uitgaande van deze adviezen lijkt er dan ook momenteel, wat waardeperceptie betreft, een onoverbrugbaar groot gat te zijn geslagen tussen de beleidsmakers enerzijds en de kunstenaars anderzijds.

Met deze constatering is echter niet gezegd dat de criteria van de NFPK+ muziekcommissie volledig uit de lucht gegrepen zijn. In de loop der jaren is een aantal gebreken van het bestaande muziekbestel steeds evidenter geworden: zichzelf in stand houdende automatismen, vormen van stagnatie, het ontstaan van machtsmonopoliën die soms een schrijnend gebrek aan doorstroming tot gevolg hadden en – inderdaad – een veelal groot gebrek aan ondernemerszin. Daarnaast was er soms ook sprake van een slappe culturele ruggengraat, waardoor men de oren vaak, te vaak, naar de subsidiegevers liet hangen, met als ergste representanten alle vormen van opportunistische loketkunst. In sommige gevallen meenden kunstenaars of organisaties zelfs automatisch rechten te kunnen doen gelden op grond van culturele superioriteit, zonder dat ze de noodzaak voelden deze vermeende superioriteit in de praktijk te toetsen of met inhoudelijke argumenten te verdedigen.